Uit de overpeinzingen van een taalnazi: waarom foutloze taal zo belangrijk is

Zoals het een echte Neerlandicus betaamt, is ook een van mijn hobby’s het verbeteren van andermans spelling en grammatica. Een echte grammarnazi, mocht je het zo willen noemen. Laat me je vertellen, daar maak je geen vrienden mee. Behalve mede-grammarnazi’s uiteraard. Deze gelijkgestemde zielen zijn vrienden voor het leven. Veel mensen vragen waarom dat nu belangrijk is. Wat maakt het nou uit of ‘als’ of ‘dan’ wordt gebruikt? Of die ‘-t’ in plaats van die ‘-d’? Je begrijpt toch wel wat ik bedoel? NOU NIET DUS. Het maakt WEL uit.

Alle frustraties terzijde, er zijn genoeg redenen waarom het belangrijk is om correcte spelling en grammatica te gebruiken. “Waarom?” Vraag je. Nou, dat ga ik natuurlijk even haarfijn uitleggen…

Spelling vs. Grammatica

… Maar niet zonder eerst te vertellen wat nu precies het verschil is tussen spelling en grammatica. Grammatica gaat over de structuur van zinnen. Het gaat over woordsoorten en zinsdelen. Woordvolgorde is dus bijvoorbeeld duidelijk een grammaticale kwestie. Een voorbeeld van een grammaticale regel is dat in een losse zin de volgorde onderwerp-persoonsvorm-lijdend voorwerp gebruiken. “Jan aait de hond” dus, en niet “Jan de hond aait”. Zo zijn er nog veel meer grammaticale regels, die we meestal automatisch goed volgen. Gewoon, omdat we dat aanvoelen. Toch kom je vooral in spreektaal veel grammaticale fouten tegen. Bekende fouten zijn:

  • Hun hebben hem gisteren nog gezien.

Juist zou zijn: Zij hebben hem gisteren nog gezien.

  • Zij heeft de toets beter gemaakt als haar vriendinnen.

Juist zou zijn: Zij heeft de toets beter gemaakt dan haar vriendinnen.

Spelling gaat daarentegen juist over de manier waarop een taal schriftelijk wordt vastgelegd. Iedereen die op het internet los gaat over het onjuiste gebruik van ‘there’, ‘their’ and ‘they’re’ zijn dus eigenlijk spellingnazi’s.

  • Hij word mijn collega

Juist zou zijn: Hij wordt mijn collega

  • Ik wil graag jou boek lenen

Juist zou zijn: Ik wil graag jouw boek lenen

Maar je begrijpt toch wat ik bedoel?

Nou, niet altijd. Uit de volgende voorbeelden blijkt dat juist taalgebruik echt belangrijker is dan je denkt.

Hoe de pizzabezorger zijn geld mis liep.

Deze heb ik al eens eerder aangehaald. Niels moest een pizza bezorgen, zoals een pizzabezorger dat doet. Zijn baas had genoteerd: “Betaald met twintig euro”. “Dat is makkelijk,” dacht Niels. “Hoef ik niet meer naar de betaling te vragen.” Nou, wel dus. Niels kwam terug bij zijn baas zonder de twintig euro, bleek dat deze bedoelde: “Betaalt met twintig euro”. Jammer, joh.

Nijntje versieren

In de goede oude tijd van 2010, toen de V&D nog bestond, plaatste deze winkelketen een campagne met de tekst: “Nijntje kussen 5 euro”. Grote en kleine fans die kwamen toegesneld hadden pech. Het ging slechts om een nijntjekussen, niet om het zoenen van hun favoriete held.

Vla in je broek

… Daar houdt niemand van

Naast het feit dat anderen je dus wel degelijk niet begrijpen in het geval van sommige fouten, zijn er ook andere redenen om te letten op grammatica en spelling. Je verhaal wordt meer gewaardeerd, je houdt de aandacht van je lezers/luisteraars vast en je komt professioneler over. Maar je ziet het: ik zeg niet dat je foutloos moet schrijven en spreken. Dat kan niemand. Het is zelfs zo dat als een fout vaak genoeg gemaakt wordt, het uiteindelijk opgenomen wordt in de taalregels. Zo wordt mond-op-mondreclame in meerdere woordenboeken genoemd als een variant op mond-tot-mondreclame. Ik vind het nog steeds maar een onsmakelijk idee.

Weekend to-do list: Duolingo downloaden en naar de Gall & Gall

Hoe ziet jouw typische weekend eruit? In de kroeg, paar biertjes op en je gelooft meteen dat je de beste danser bent die daar OOIT aan de bar heeft gehangen? Die dosis vals zelfvertrouwen kun je beter besteden aan een activiteit die écht verbetert door het drinken van een lage dosis alcohol. Eindelijk eens die Spaans cursus doen bijvoorbeeld!

Onderzoek

Meerdere wetenschappers uit Maastricht, Liverpool en Londen brachten eind 2017 een onderzoek uit, waaruit bleek dat een lage dosis alcohol het spreken van een tweede taal verbetert. Dit onderzoek werd gedaan met Duitse proefpersonen die pas Nederlands hadden geleerd te lezen, spreken en schrijven. De helft van de proefpersonen kreeg een drankje met een lage hoeveelheid alcohol, de andere helft bleef nuchter.

Alle proefpersonen moesten daarna een Nederlands gesprek voeren met een examinator. Deze gesprekken werden beoordeeld door Nederlandse moedertaalsprekers, die niet wisten of de proefpersoon nuchter was of niet. Hieruit bleek dat het Nederlands van de alcohol drinkende proefpersonen aanzienlijk beter werd beoordeeld dan de nuchtere deelnemers, vooral wat betreft de uitspraak.

Voordat je dit weekend in de gordijnen gaat hangen…

Uiteraard werd het onderzoek alleen gedaan met proefpersonen die al een tweede taal beheersen. Denk dus niet dat je opeens die Spaanse schone in de bar kunt versieren, alleen omdat je 12 jaar geleden één les Spaans hebt gevolgd en een paar biertjes achter de kiezen hebt. Bovendien benadrukt dr. Fritz Renner, één van de onderzoekers, dat een hogere alcoholconsumptie mogelijk geen bevorderlijk effect heeft op de uitspraak van een vreemde taal. Dr. Jessica Werhmann voegt hieraan toe dat het niet bekend is waar het effect vandaan komt. Mogelijk ontstaat dit doordat alcohol een angstremmende werking heeft, maar om dit vast te stellen moet meer onderzoek gedaan worden.

Koninginnedag vs. Koningsdag: er is er toch maar één?

De tussen-n en de tussen-s: weer twee heerlijke voorbeelden van hoe de Nederlandse taal zo ingewikkeld mogelijk wordt gemaakt. Vroeger leerde ik altijd dat het Koninginnedag is, omdat er maar één koningin is. Maar hoe zit dat dan met Koningsdag? Daar hebben we er toch ook maar één van? En is Koninginnensoep dan gemaakt van meerdere koninginnen?

De tussen-n

Volgens de officiële regel schrijf je een tussen-n als het eerste deel van het woord een zelfstandig naamwoord is met een meervoud dat alleen eindigt op -en. Daarom schrijven we dus pannenkoek. Als het zelfstandige naamwoord ook een meervoud heeft dat eindigt op -s, krijg het woord geen tussen-n. Groentetuin, bijvoorbeeld.

Zoals iedere leuke Nederlandse grammaticaregel, heeft ook deze genoeg uitzonderingen:

  • Het eerste deel van de samenstelling verwijst naar een persoon of zaak die in deze context uniek is.

Daar hebben we onze Koninginnedag! De koningin is hier uniek, daar hebben we er maar één van, en daarom wordt er geen vijfde n aan de samenstelling toegevoegd. Koninginnenhapje verwijst niet naar onze koningin, maar naar het lievelingsgerecht van Marie Leszczynska, de vrouw van Lodewijk XV. Daarom schrijven we hier wel een tussen-n.

  • Het eerste deel van de samenstelling is versterkend bedoeld, en de samenstelling als geheel is een bijvoeglijk naamwoord.

Voorbeelden hiervan zijn apetros en boordevol. Deze uitzondering geldt niet als het eerste deel een soort eenheid of vergelijking aangeeft: mijlenver (‘zoveel mijlen ver’) en ravenzwart (‘zo zwart als een raaf’).

  •  Versteende samenstellingen

Deze samenstellingen bestaan oorspronkelijk wel uit twee verschillende woorden, maar zijn door de jaren heen een begrip op zich geworden. Voorbeelden zijn nachtegaal, bakkebaard en schattebout.

  • Als het eerste woord een persoon aanduidt en de mannelijke en vrouwelijke vorm enkel van elkaar verschillen doordat de vrouwelijk vorm het achtervoegsel –e heeft.

In dat geval gaan we uit van de mannelijke vorm. Dit geldt bijvoorbeeld bij studente en de meervoudsvorm studentes. Hoewel dit meervoud op -s ­eindigt, gaan we uit van de mannelijke vorm. Vandaar dat studentenzwangerschap geheel valide is.

De tussen-s

Hoe zit het dan met die s? Het verschil tussen de regels die gelden voor Koninginnedag en Koningsdag, is dat bij de tussen-n invloed heeft op de betekenis van een woord. Het roept namelijk de gedachte aan meervoud op. Vaak is het echter gewoon een overgangsklank. De tussen-s heeft geen invloed op de betekenis, en fungeert alleen als verbindingsklank.

In tegenstelling tot de tussen-n, is het gebruik van de tussen-s een stuk vrijer. Officieel kun je ervan uit gaan dat als het merendeel van de mensen een –s uitspreekt, deze ook in de samenstelling thuis hoort. Het gebruik van de tussen-s is dus heel persoonlijk. Wel zijn er een aantal richtlijnen:

  • Als het eerste deel een werkwoordstam is, wordt de -s meestal weggelaten.

Voorbeelden zijn antwoordapparaat en looproute.

  • Als het tweede deel van een woord met een sisklank (s of z) begint, is het vaak moeilijk te horen of een tussen-s gebruikt moet worden. Dit kan duidelijker worden als je de samenstelling in een samentrekking gebruikt.
    • Meisjesstemmen want meisjes- en vrouwenstemmen
    • Rijkeluiszoontje want rijkeluiskind of – zoontje
  • In geval van zulke samenstellingen, kan het tweede deel ook vervangen worden door een ander woord. Stationshal bijvoorbeeld, in plaats van stationschef.

Dan toch nog even over die DT

Als rasechte Neerlandicus maak ik me er zeker schuldig aan: de spelling van anderen verbeteren. Zeker als het gaat om die verschrikkelijke DT. Je kunt beargumenteren dat het toch niet uitmaakt, dat ik toch wel begrijp wat je bedoelt. NEE. Dat gaat er niet in. Het is wél erg en dt-fouten kunnen absoluut leiden tot verwarring (check deze eens even). Maar waar komt die ellendige regel eigenlijk vandaan? En hoe kun je het wél goed doen?

Het ontstaan

Laten we niet de taalnazi’s de schuld geven. Wie pas echt de schuldige is, is degene die de regel heeft uitgevonden. Dit was Arnold Moonen, een Nederlandse predikant, dichter, geschiedkundige en taalkundige. Naast diverse publicaties die nooit echt zijn blijven hangen, schreef hij ruim 300 jaar geleden het boekje ‘Nederduitsche spraekkunst’. Ook dit boekje, gevuld met regels, was niet zo’n succes. Slechts de dt-regel werd overgenomen en gebruiken we nu nog steeds. Overigens hanteerde hij deze regel zelf niet zo nauwkeurig, en stond een dt-fout in de inleiding van zijn boekje.

Hoe moet het dan wel?

Jij smurft, ik smurf, wij smurfen. De smurfenregel is naar mijn mening de handigste manier om erachter te komen hoe een werkwoord geschreven moet worden. Je vervangt dit werkwoord simpelweg door een vervoeging van ‘smurfen’ en tadaa! je zult nooit meer een dt-fout maken. Een paar voorbeelden:

“Vind(t) jij dat ook?” – “Smurf jij dat ook?” – Geen t-klank, dus “Vind jij dat ook?”


“Haar spelling word(t) steeds beter” – “Haar spelling smurft steeds beter” – Wel een t-klank, dus “Haar spelling wordt steeds beter”


“Vind(t) je moeder dat wel goed?” – “Smurft je moeder dat wel goed?” – Dus “Vindt je moeder dat wel goed?”

Bij het schrijven van een langere tekst is het uiteraard lastig om telkens de smurfenregel toe te passen. Maar na een tijdje zijn je hersenen bepaalde vervoegingen zo gewend, dat je het automatisch goed doet. En mocht je nu telkens het smurfenlied in je hoofd krijgen, je kunt ook een ander werkwoord gebruiken. Denk aan lopen, pakken, komen en denken.

DT en waarom Neerlandici zo graag over grammatica zeuren

In september 2010 begon ik aan mijn studie Nederlandse Taal en Cultuur. Bijna tien jaar later veroorzaakt dit feit nog steeds grote ogen van verbazing: “Waarom zou je in godsnaam Néderlands willen studeren?” Gevolgd door vragen naar spelling van ingewikkelde woorden. Is het tegenwoordig pannekoek of pannenkoek? En hoe vervoeg je willen? Stuk voor stuk goede vragen, die ook door mij soms stiekem even gegoogled worden. En dan toch even doen alsof ik zelf het antwoord bedacht heb. Want ja, ik heb toch vier jaar Nederlands gestudeerd.

Waarom Nederlands?

Dus waarom ben ik Nederlandse Taal en Cultuur gaan studeren? Ik heb altijd graag gelezen. Mijn moeder zei dat een studie Nederlandse Taal en Cultuur bestond en dat leek me wel interessant. De bassist en tekstschrijver van Bløf heeft Nederlands gestudeerd, en die teksten heb ik altijd erg mooi gevonden. Stuk voor stuk steengoede redenaties. Maar wat ik nu écht interessant vind, is hoe taal – wat in essentie toch niet meer is dan een stel letters die toevallig in goede volgorde zijn gezet – mensen kan beïnvloeden. Een leuk voorbeeld:

Sociaal psycholoog John Bargh heeft veel onderzoek gedaan naar priming. Kort samengevat is dit het activeren van bepaalde informatie zonder dat iemand zich daarvan bewust is. Tijdens een van zijn onderzoeken liet hij twee groepen proefpersonen woorden in de juiste volgorde zetten. Bij één groep activeerde hij het stereotype ‘bejaarde’, door ze woorden te geven als ‘oud’, ‘bloemetjesjurk’ en ‘bingo’. De andere groep werd niet geprimed. Na de test werd gemeten hoe lang de proefpersonen erover deden om naar de lift te lopen. De ‘bejaarde’ groep deed hier duidelijk langer over.

Interessant, toch? Dat vond ik nu ook. Ik ben dan ook zeker niet aan mijn studie begonnen omdat ik een grote voorliefde voor de Dikke Van Dale had. Teksten zijn zoveel meer dan een aantal woorden met de juiste Nederlandse spelling. Ze zijn een manier om je publiek aan je te binden, om mensen te laten lachen en huilen, om ze tot een actie aan te zetten. Teksten zijn zoveel meer dan DT.

Maar ik zou geen echte Neerlandicus zijn als ik grammatica niet belangrijk zou vinden. Want zeg nu zelf, “Ik hou van honden eten en tv kijken” heeft toch net een andere betekenis dan “Ik hou van honden, eten en tv kijken”.